← Vervoegingen

Les 1

De tegenwoordige tijd

Gebruik de tegenwoordige tijd voor wat nu gebeurt, gewoontes en algemene waarheden.

Patroon: regelmatige werkwoorden

Vergelijk de uitgangen van hablar (-ar), comer (-er) en vivir (-ir).

Persoon-ar-er-ir
yohablo

ik praat

como

ik eet

vivo

ik woon

túhablas

jij praat

comes

jij eet

vives

jij woont

vosArgentiniëhablás

jij praat

comés

jij eet

vivís

jij woont

él / ella / ustedhabla

hij/zij/u praat

come

hij/zij/u eet

vive

hij/zij/u woont

nosotros/ashablamos

wij praten

comemos

wij eten

vivimos

wij wonen

vosotros/ashabláis

jullie praten

coméis

jullie eten

vivís

jullie wonen

ellos / ellas / ustedeshablan

zij praten

comen

zij eten

viven

zij wonen

In context

Yo hablo español todos los días.

Ik spreek elke dag Spaans.

Tú hablas muy rápido.

Jij spreekt heel snel.

Oefen de tegenwoordige tijd